Naar de inhoud
- Weeg nauwkeurig de hoeveelheid vetstof en de met water aangemaakte bloem af. De vetstof moet de helft van het gewicht van het bloemmengsel hebben.
- Haal de vetstof vroeg genoeg uit de koelkast zodat ze de temperatuur van het bloemmengsel heeft en verdeel ze in kleine vlokjes alvorens ze bij het mengsel te voegen.
- Bestrooi het werkoppervlak en de rol met bloem voor elke "beurt" zodat het deeg niet kleeft.
- Als je het deeg uitstrijkt, geef dan regelmatig klopjes met de rol zodat de deegblaadjes niet vervormd worden.
- Als je het deeg met een mes in vorm snijdt, zet dan dat mes loodrecht op het deeg en snijd het krachtig in zodat je het deeg niet plet want dan zou het wel eens minder goed kunnen rijzen.
- Hoe meer "beurten" je aan het deeg geeft, hoe lichter het is; klassiek deeg krijgt 6 beurten. De laatste twee beurten kan je best vlak voor het bakken geven, de eerste mogen één of zelfs twee dagen vooraf gegeven worden.
- Het deeg ziet er aantrekkelijker uit als het met ei gekleurd is, maar zorg dat er geen ei op de randen komt, anders kan het deeg niet regelmatig rijzen.
- De ovenplaat of de vorm waarop je het deeg legt voor het bakken, moet vooraf bevochtigd worden maar mag niet ingevet worden.
- Als je de randen "kartelt", d.w.z. met een mespunt lichte insnijdingen maakt in de bakklare deeglaagrand, vergemakkelijk je het rijzen van het deeg.